Trefwoordenlijst

Almachtsgevoel: Een gevoel dat ze denken dat ze alles zijn.
Arcadespel: computerkasten waar je tegen betaling een computerspel kan spelen
Armoede: Wanneer sociale uitsluiting op verschillende domeinen tot een netwerk van uitsluitingen uitgroeit.
Aselect: willekeurig genomen
Assertiviteit: Zelfbewuste, psychische weerbaarheid
Atheïsme: de afwezigheid van geloof in één of meerdere goden, of de aanname dat er geen god(en) bestaan of kunnen bestaan.
Authenticiteit: Echtheid, origineel zijn
Autonomie: het vrij zijn van extern bestuur.
Autonoom: Onafhankelijk, zelfstandig
Boutades: Min of meer geestige uitingen van ongenoegen.
Classificatie: ordening van begrippen in klassen en subklassen
Cognitief: het waarnemen en overdenken van de buitenwereld
Complementair: Aanvullend
Concilie: een vergadering van regionale Christelijke leiders/ambtsdragers.
Contingentie:Verplicht of toegestaan aandeel
Continuüm: Voorzetting
Cultiveren: Verfijnen en veredelen.
Cynisme: Bijtend pessimisme
De notie van verantwoordelijkheid: Een besef, begrip, denkbeeld
Desintegratie: het uiteenvallen van een organisch functionerende eenheid
Dialogale: Tweespraak
Distinctie: Onderscheiding
Diversiteit: Verscheidenheid, verschillendheid.
Een indicator naar buiten toe: Een maatstaf is er om te bepalen hoe duurzaam de samenleving is
Egalitair: Algemene maatschappelijke gelijkheid willend of voorstaand.
Eigen elan vervreemd het jeugdwerk.: Eigen aanloop vervreemd het jeugdwerk.
Eigenheid: Eigen karakter
Eigenliefde: Het aanvaarden van onszelf
Eigenwaarde: De waardering die we opbrengen voor onszelf
Eigenwaarde: Het is het beeld dat een mens op emotioneel niveau van zichzelf heeft, zonder daarbij redelijk of logisch te zijn.
Emancipatie: het streven naar gelijkgerechtigdheid, zelfstandigheid, eerlijkere maatschappelijke verhoudingen.
Engagementen: Gevoel van morele verplichting.
Etnische: Wat een volk betreft ; volkenkundig, qua afkomst.
Etnocentrisme: Volgens een standpunt handelen door culturen
Etymologisch: ‘Crisis’, niet ondergang, een moment waarop het gevaar begint te keren.
Existentialisme: een 20e-eeuwse filosofische en literaire stroming die individuele vrijheid, verantwoordelijkheid en subjectiviteit vooropstelt.
Expansie: Uitbreiding
Expliciete: Uitdrukkelijk letterlijk zogezegd.
Fantasmatische gedachtenwereld: Een gedachtenwereld met een fantasierijk deeltje
Fascisme: een politiek stelsel waarin één persoon of partij de macht heeft.
Freudianisme: Volgens de leer van Sigmund Freud
Fundamentele oorzaak: Is de basisoorzaak, waar het allemaal begon.
Geconfronteerd: In aanraking komen met iets.
Geen contradictie: Geen tegenspraak
Genormeerd: Vastgehouden aan bepaalde normen (afspraken)
Getto’s: Aparte woonwijk voor een etnische minderheid.
Hiërarchie: Rangorde
Homogeen: Van dezelfde soort.
Homogenisering: Van dezelfde soort, de jeugd tot een geheel beoordelen.
Identiteit: Persoonsgelijkheid, eenheid van wezen
Illusie: Droombeeld, hersenschim
Imago: Het beeld dat de mensen hebben van een persoon
Individualiseringstendensen: Strekking waarbij we alleen willen gaan leven. Een eigen identiteit willen creëren.
Instituties: Instellingen (openbare)
Integratie: Het maken van of opnemen in een groter geheel.
Levenswijze
Loergedachte: Hetgeen wat jij denkt.
Marxisme: de theoretische grondslag voor het moderne communisme, gebaseerd op de ideeën en denkbeelden van Karl Marx en Friedrich Engels.
Massamedia
Medemens en zijn sociale omgeving
Moratorium: Besluit tot uitstel
Non respons: aantal uitgezette vragenlijsten in een onderzoek waarop geen antwoord komt
Normbesef: bewust worden van maatschappelijke vereisten
Nuanceren: fijn onderscheid aanbrengen
Onderscheiden
Ontkrachten: Dit is het weerleggen van bepaalde ideeën die voor u niet kunnen
Ontluiking van jeugdwerk: Ontwikkelen van jeugdwerk.
Participatie: Het deel hebben
Pathologisch: (of ziekteleer) bestudeert het ontstaan en verloop van ziektes.
Pedagogisch: de studie van de manier waarop volwassenen (ouders, opvoeders, onderwijzers) jeugdigen grootbrengen met een bepaald doel.
Pedagogisering: Opvoedkunde
Peer group: Groep soortgenoten die veel invloed op je hebben
Permissiever: Verdraagzamer
Plausibel:Geloofwaardig klinken
Profileren: Duidelijk maken waarin men zich onderscheidt
Proportioneel: In verhouding met / naar verhouding
Radicale: Geheel en al; totaal.
Realiteitsprincipes: Dit zijn veel voorkomende doelen in de realiteit.
Reflexieve individuen: Individuen die zich bespiegelen met anderen.
Relevantie: Belangrijk
Representatief: Vertegenwoordigd / geschikt om te vertegenwoordigen.
Restrictief: beperkend
Significant: belangrijk, veelbetekenend
Sociale differentiatie: Sociale verscheidenheid
Sociale differentiatie: Verschillen van lengte, in gelaatstrekken, in huidskleur, … Verschillen die weinig of geen maatschappelijke gevolgen hebben.
Sociale fragmentering: Er zijn herkenbare breuklijnen. Vb: verschillende muziekculturen, ze zijn sterk van elkaar gescheiden. Er is verscheidenheid die soms aan versplintering doet denken.
Sociale fragmentering: Sociaal uiteenvallen in delen.
Sociale integratie: inburgering
Sociale ongelijkheid: Er zijn nevenschikkende relaties. Hier zijn rangordes. De verschillen worden geordend op een sociale ladder je kan hogerop komen, of je kan naar beneden donderen. De verschillende onderwijscarrières weerspiegelen de bestaande sociale ongelijkheid.
Sociale uitsluiting: Sociale uitzondering, niet toelaten.
Sociale uitsluiting: Wanneer er bij die ongelijkheid duidelijke breuklijnen optreden spreekt men over sociale uitsluiting. De verschillen vormen nu overduidelijk een sociaal probleem. Uitsluiting kan zich afspelen in alle mogelijke domeinen in de leefwereld van jongeren.
Socialiseren: Tot een bezit van de gemeenschap maken —> nationaliseren. Iemand, zichzelf aanpassen aan de maatschappij.
Sociologische: Wetenschap van de samenleving.
Struisvogelpolitiek: Als men de de consequenties van een bepaald beleid (of gedrag) niet wil inzien en simpelweg doorgaat met de ingeslagen weg.
Substantiële: Zelfstandig
Summier: Kort samenvattend; bondig.
Symbiose: Samenleven van 2 levensvormen
Territorium : Grondgebied die van een persoon is
Uniek: Eenmalig, bijzonder
Utilitair:Met oog op nut
Vacuüm: een ruimte met lagere druk dan de druk van de buitenlucht
Verantwoordelijkheidsbesef: Het weten dat men verantwoordelijk moet zijn voor zichzelf
Vicieuze cirkel: Dit is een situatie die een bepaald gevolg heeft, die daarna terug een bepaald gevolg heeft. En dit gaat zo verder.
Welzijnsinterventies: Welzijnstussenkomsten
Zelfkennis: Weten hoe jij je voelt bij bepaalde situaties
Zelfstandig wezen
Zelftoetsing: Jezelf quoteren op je prestaties
Zelfwaardering: Respect tonen voor jezelf

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License